Artikelen
De wankele homo universalis, of de denkende mens bevraagd
Mathijs de Jong
De angst onder intellectuelen voor kunstmatige intelligentie (KI) kent een haast Shelleyaanse ironie: de schepper die een grote angst heeft voor hetgeen hij zelf gecreëerd heeft. Of deze angst al dan niet terecht is, zal hier niet centraal staan. Veeleer zal ik pogen deze angst in het hiernavolgende te duiden. Mijns inziens omvat dit namelijk meer dan bijvoorbeeld de angst de menselijke autonomie te verliezen of de angst voor het verliezen van verscheidene banen in de toekomst alleen. Zij raakt ook aan een existentieel deel, namelijk aan onze moderne opvatting van wat het betekent om mens te zijn.
Kortgezegd zal in dit essay betoogd worden dat de angst onder intellectuelen voor KI deels te begrijpen is als een existentiële angst, nu de opkomst van deze technologie voor het eerst een oude hiërarchie bevraagt die gerechtvaardigd werd door de vals gebleken Verlichtingsbelofte van de redelijke mens. Daarbij komt dat het vastgeroeste idee dat de mens tot één definiërend principe gereduceerd zou kunnen worden – te weten, zijn redelijkheid – lijkt te wankelen. Veeleer lijkt de opmars van KI een moment in de geschiedenis te vormen waarop het menselijk verlangen om zichzelf te ordenen volgens één hoogste principe zichtbaar wordt als niet-noodzakelijk.
De Shelleyaanse ironie of de angst van de denkende klasse
Hoewel er niet een eenduidige lezing van Mary Shelleys Frankenstein mogelijk is, komt de ambiguïteit jegens het wetenschappelijke vooruitgangsdenken er sterk in naar voren. Enerzijds verlangt de wetenschapper Victor Frankenstein naar vooruitgang en wordt hij gedreven door een bijkans onmogelijke ambitie: de dood overwinnen door dode materie tot leven te wekken. Anderzijds heeft Victor geenszins nagedacht over de vraag wat hij met het Wezen zal doen als het eenmaal tot leven is gewekt. De ironie lijkt compleet als Victor bij het slagen in zijn wetenschappelijke ambitie een psychologische ommezwaai maakt. Daar waar hij voor de creatie van het Wezen nog vervuld is van een gevoel van ego gedreven trots:
A new species would bless me as its creator and source; many happy and excellent natures would owe their being to me. No father could claim the gratitude of his child so completely as I should deserve theirs.
slaat dit sentiment al gauw om in walging op het moment dat Victor er daadwerkelijk in slaagt zijn ambitie te verwerkelijken:
I had worked hard for nearly two years, for the sole purpose of infusing life into an inanimate body. For this I had deprived myself of rest and health. I had desired it with an ardour that far exceeded moderation; but now that I had finished, the beauty of the dream vanished, and breathless horror and disgust filled my heart.
Een dergelijke psychologische ommezwaai – uiteraard niet één-op-één, maar metaforisch verstaan – lijkt ook te hebben plaatsgevonden binnen de denkende klasse[1] die KI het licht heeft doen zien. Zo zei de tot ‘godfather van KI’ gekroonde Geoffrey Hinton, de computerwetenschapper die in 2024 de Nobelprijs voor de natuurkunde in ontvangst mocht nemen, dat zijn grootste angst is dat ‘in the long run, it’ll turn out that these kind of digital beings we’re creating [KI, MdJ] are just a better form of intelligence than people.’ En dat ‘We’d no longer be needed.’
Natuurlijk beslaat Hinton niet de gehele denkende klasse en zijn er ook bij die de komst van KI positiever ontvangen. Punt blijft dat de angst die door Hinton belichaamd wordt een gedeelde angst is, in het bijzonder onder de denkende klasse, omdat de kracht en de implementatie van deze disruptieve technologie deze klasse zelf bevraagt.
Mijns inziens maakt dat de angst voor de intellectueel existentieel. Want hoewel er lang gesoebat kan worden over de vraag of KI nu wel of niet kan ‘denken’ (zo zouden de huidige LLM’s de Turingtest van Alan Turing wel doorstaan, maar de Chinese Kamer test van John Searle niet), lijkt het, van een afstand bezien, alsof KI hiertoe in staat is. En erger: het lijkt er op alsof KI dit beter en efficiënter kan dan de mens. Zo versloeg Deep Blue al in 1997 wereldkampioen schaak Garri Kasparov. In 2016 versloeg AlphaGo de Zuid-Koreaanse Lee Sedol, grootmeester in het spel Go waarvan men tot zeer lang beweerde dat men hiervoor over een ‘menselijke intuïtie’ moest beschikken. Tot slot versloeg Project Ace eerder dit jaar meerdere professionele topspelers in tafeltennis.
Technisch gezien kan de denkende klasse blijven stellen dat KI niet ‘intelligent’ is: het beschikt immers niet over een bewustzijn en maakt enkel gebruik patroonherkenning, van voorspelling van data op basis van kans, logica, enz. Bovenstaande voorbeelden laten evenwel zien dat de komst van KI datgene bevraagt wat de mens eeuwenlang heeft aangewend om zichzelf van alle andere levende materie te onderscheiden, en om zijn eigen positie binnen een bepaalde hiërarchie te rechtvaardigen.
De hiërarchie, de homo universalis en de valse belofte van de Verlichting
In 1509 verscheen een illustratie die de door de komst van KI bevraagde hiërarchie perfect samenvat. De illustratie werd gepubliceerd in het boek Liber de sapiente afkomstig van de Franse wiskundige en filosoof Carolus Bovillus (c. 1475-1567). De in de illustratie neergelegde ‘piramide van de levenden’ geeft de hiërarchie weer die tot op de dag van vandaag voor velen nog altijd de leidende hiërarchie der dingen is. Helemaal onderaan bevindt zich de steen die enkel is (‘est’). Een traptrede hoger staat de plant, die niet alleen is, maar ook leeft (‘est et vivit’). Nog een trede hoger staat het dier die niet alleen is en leeft maar ook voelt (‘sentit’). Tot slot staat op de hoogste trede de mens die als enige het vermogen heeft om te begrijpen (‘intellegit’).
Het Verlichtingsdenken bouwde op bovenstaande hiërarchie voort en maakte eveneens aanspraak op datgene wat de mens van al het andere onderscheidt: zijn rede. Niet alleen ging het Verlichtingsdenken uit van redelijkheid als definiërend principe voor het mens-zijn, het ging nog een stap verder door te stellen dat voldoende kritisch denken in staat stelt ‘onszelf te ontdoen van onze eigen onmondigheid’. Deze belofte deed iets wonderlijks: hoewel deze ‘waarheid’ in werkelijkheid enkel gold voor witte, welgestelde mannen, maakte deze belofte ieder mens in potentie gelijk én verantwoordelijk. In potentie kon ieder mens die over een rede beschikte zich immers van zijn eigen onmondigheid ontdoen, zolang men zich hier maar voldoende voor inspande. In feite vormde het een rechtvaardiging voor de kristallisering van een hiërarchie onder de mensen zelf: zij die redelijk waren en zij die dat niet waren.
Dit vastgeroeste geloof in de rede als motor van dat wat menselijk is vond zijn ultieme praktische vertaling in het ideaal van de homo universalis. Hoewel dit concept uit de Renaissance stamt, vormde het de belichaming van de superioriteit waar de mens met zijn rede toe in staat was. Het ideaal maakte dat de mens niet als statisch denkend en voelend zijnde kon blijven verwijlen op de hoogste trede van de piramide van het leven, maar zijn rede moest aanwenden om in alle wetenschappen, kunsten en filosofie te sublimeren.
De belofte van het Verlichtingsdenken – dat eenieder redelijk kon worden door zich te ontdoen van zijn eigen onmondigheid – bleek echter vals om twee redenen. Ten eerste bleek dat wie redelijk bevonden wordt, grotendeels bepaald wordt door genetische en socio-economische factoren. Anders gezegd wordt de redelijkheid van een willekeurig persoon niet alleen bepaald door het genenpakket dat men heeft meegekregen van de ouders, maar ook door hun financiële middelen, connecties en netwerk. Alleen zo werd het mogelijk dat een kind dat van nature niet over een grote denkkracht beschikt door de juiste contacten, de juiste scholing en private bijlessen zich alsnog van zijn eigen onmondigheid kon ontdoen.
Ten tweede bleek dat wat redelijk was niet bepaald werd aan de hand van de mediaan of het gemiddelde van de menselijke denkkracht, noch aan een vorm van ‘gezond verstand’, maar aan die figuren die gedurende de gehele geschiedenis het redelijkst bleken te zijn. Wat redelijk is, werd zo – zij het onbewust – gemodelleerd aan de hand van de grote wetenschappers, denkers en kunstenaars. En ook hier geldt dat het eerder aangehaalde ideaal van de homo universalis daar de perfecte belichaming van vormde. Het ideaal was immers niet: te kunnen denken, om een graad van redelijkheid te bereiken (bijvoorbeeld die van een sluwe koopman), maar om te streven naar het niveau van een epistemische halfgod, die ernaar verlangt alles te begrijpen, of in ieder geval, alles te kennen om zodoende een steeds hogere, redelijke vorm van zichzelf te worden.
De harde realiteit was echter dat er mensen waren die deze vormen van redelijkheid – om welke reden dan ook – nooit zouden bereiken. Zij zouden deze grote geesten nooit begrijpen, en wellicht zorgwekkender, nooit de mate van invloedsfeer bereiken die de denkende klasse bezat. Deze klasse bedacht immers welke vorm van staatsinrichting de juiste was, op welke wijze complexe machines en infrastructuren gebouwd moesten worden opdat deze niet uit elkaar zouden vallen. Zij dachten na over hoe onze kinderen moesten worden opgevoed, welke medicijnen we moesten innemen om weer gezond te worden en welk voedsel we moesten laten staan om dat te blijven. Zij gaven kortom mede de realiteit vorm waar de niet-denkende klasse zich toe te verhouden had. Zich tegen deze hiërarchie verzetten was echter niet nodig: niet alleen omdat voorgaande de niet-denkende klasse veel bood in termen van vooruitgang en comfort, maar ook omdat zij niet ‘vast’ zaten in deze klasse met een lagere invloedssfeer: zij bezaten immers nog altijd het idee dat zij beschikten over datgene wat hen in staat zou stellen tot de denkende klasse toe te treden. Zij hoefden het enkel aan te wenden en te cultiveren.
KI: de verwerkelijking van het homo universalis-ideaal
Het idee van de redelijke mens, het idee van de homo universalis: zij waren van meet af aan al onhaalbaar en in die zin vormde zij dan ook een ideaal. Vanaf de 17e eeuw maakte een razendsnelle toename van kennis in de Westerse wereld – zowel op het gebied van de natuurlijke wetenschappen als door de informatie die kwam vanuit andere delen van de wereld – het voor individuele geleerde vrijwel onmogelijk om nog evenveel disciplines te beheersen als voorheen. De groei van kennis leidde anders gezegd tot een specialisatie van kennis waardoor het streven naar kennis verschoof van kennis op elk gebied naar kennis op een enkel gebied, en van een actieve bijdrage op velerlei gebieden naar een passieve consumptie van wat er op die gebieden door anderen is bijgedragen.
Tegenwoordig lijkt het er echter op alsof het zelfs binnen een bepaald vakgebied niet meer mogelijk is om alles van dat vakgebied te weten. Een student natuurkunde, hoe begaafd ook, dient zich aan het eind van zijn studie al gauw neer te leggen bij het idee dat hij slechts een deel van zijn vakgebied begrepen heeft, en dat het een hele opgave zal worden een vooraanstaand specialist te worden in dat ene deelgebied. De denkende klasse is doordrongen van het besef dat zij in deze specialistische kenniseconomie nooit in staat zullen zijn weet te hebben van meerdere deelgebieden binnen een vakgebied, laat staan meerdere vakgebieden tegelijkertijd.
De komst van KI lijkt daarentegen het onhaalbare ideaal van de homo universalis te bewerkstelligen. Hoewel strikt genomen geen ‘homo’, heeft de denkende klasse voor het eerst in de geschiedenis iets ontworpen dat in staat is van willekeurig welk vakgebied, willekeurig welk onderwerp de meest specialistische informatie te verschaffen. En dat maakt dat de hiërarchie die gerechtvaardigd werd door de belofte van de redelijke mens nogmaals bevraagd wordt. Want wat betekent het nog om mens te zijn als de denkende mens iets heeft uitgevonden dat in tegenstelling tot hemzelf in staat is zijn hoogste ideaal te behalen?
Hier zal men waarschijnlijk terecht tegenin brengen dat een LLM die gevraagd wordt de relativiteitstheorie uit te leggen, niet daadwerkelijk ‘begrijpt’ wat het uitlegt. Het heeft geen ‘bewustzijn’ en kan niet ‘denken’ zoals een mens dat kan – althans, nog niet. De vraag of een KI een bewustzijn heeft of kan denken is evenwel niet relevant voor het sentiment van de denkende klasse voorbij gestreven te worden in zijn streven naar zijn ideaal van de redelijke homo universalis. Want hoewel de voornoemde LLM slechts de data reproduceert die het gevoerd is om het te trainen, en dus evenveel ‘begrijpt’ van de relativiteitstheorie als een gemiddelde eerstejaars natuurkundestudent, lijkt het alsnog te kunnen wat een mens nooit zal lukken, te weten, het vinden en reproduceren van welke vorm van data dan ook. Het is anders gezegd de gehele Wereldbibliotheek en zijn bibliothecaris ineen die men in een mum van tijd de gezochte pagina van het benodigde boek kan tonen.
Bovenstaande leidt uiteraard tot de vraag waartoe de denkende mens in dat geval nog op aarde is. Kan de mens zich nog blijven vereenzelvigen met het definiërende principe van redelijkheid? En kan de denkende klasse zijn positie nog rechtvaardigen als de niet-denkende klasse ook toegang heeft tot de verwerkelijking van het, voor onhaalbaar geachte, homo universalis-ideaal? Of wordt de mens door dit alles gedwongen op zoek te gaan naar een ander definiërend principe zoals lichamelijkheid, ervaring, moraliteit, enz.?
Conclusie
Laten wij lichamelijkheid nemen als het nieuwe definiërende principe van het mens-zijn. Een dergelijk principe zou dan als volgt kunnen luiden: ‘eenieder die beschikt over een menselijk lichaam is mens, ongeacht zijn of haar mate van redelijkheid.’ Ik voorspel dat een dergelijke verschuiving – de woorden ‘menselijk lichaam’ zouden we uiteraard kunnen vervangen met ‘menselijke ervaring’ – eveneens zal leiden tot een nieuwe hiërarchie die even legitiem is als degene die gefundeerd was op de menselijke rede. Opnieuw zou er dan een default of een ideaal voor lichamelijkheid (of menselijke ervaring) ontstaan die de een meer menselijk maakt dan de ander. Het hebben van een genetische afwijking, het missen van een arm; het zou het moeten afleggen tegen een nieuw ideaal van wat het betekent om mens te zijn.
Wellicht dat de hierboven besproken angst voor KI ons vooral de niet-noodzakelijkheid voor het hebben van een dergelijk definiërend principe toont. Wellicht dat de mens nu kan gaan accepteren dat er geen inherente noodzaak bestaat om zichzelf te onderscheiden van de Ander en het Andere. Wellicht dat de mens het relationele daarmee kan gaan omarmen. En wellicht dat de mens zichzelf dan als vraag en als mysterie tegemoet kan treden.
[1] Met de ‘denkende klasse’ doel ik op de groep mensen die hun identiteit, macht, status en inkomen ontlenen aan hun bovengemiddelde vermogen informatie, kennis en ideeën te beheren en verwerken.
Auteur(s)

Mathijs de Jong is werkstudent bij Stichting Toekomstbeeld der Techniek (STT), en heeft zijn master Encyclopedie en Filosofie van het Recht (cum laude) afgerond. Hij schrijft regelmatig rechtsfilosofische reflecties over onder andere techniek en natuur binnen het recht. Dit stuk is op persoonlijke titel geschreven.
AI-forum 2026/3
Eerste Nederlandse advocaat berispt wegens onzorgvuldig AI-gebruik
De Nederlandse tuchtrechter heeft voor het eerst een advocaat berispt vanwege onzorgvuldig gebruik van AI. De advocaat had in twee huurprocedures door AI gegenereerde rechtspraak opgenomen zonder de uitspraken te lezen of de verwijzingen te contro...
Amerikaanse rechter sanctioneert verborgen AI-instructie (prompt injection) in processtuk
Een Amerikaanse rechtbank heeft een procespartij gesanctioneerd omdat hij verborgen instructies in zijn processtukken had geplaatst die een AI-systeem moesten bewegen hem gelijk te geven. Hoewel de rechtbank zelf geen AI gebruikt om processtukken ...
Openbaar is niet vogelvrij: nieuwe EDPB-richtlijnen over webscraping voor generatieve AI onder de AVG
Voor de ontwikkeling van generatieve AI zijn grote hoeveelheden data nodig. Veel AI-ontwikkelaars verzamelen die data door middel van webscraping: het geautomatiseerd ophalen van informatie van het openbare internet. Gescrapete bronnen bevatten ni...
Auteursrecht op door AI gegenereerde output? De VS en EU zijn kritisch, maar India opent de deur
Kan een werk auteursrechtelijk beschermd zijn wanneer de vormgeving volledig door een AI-systeem is bepaald? Ja, aldus het Indiase Copyright Office. Het door DABUS gegenereerde beeld A Recent Entrance to Paradise voldoet aan de originaliteitsdremp...
Online hate speech in het tijdperk van GenAI: systeemrisicobeheer onder de Digital Services Act
De lezers van dit forum hoeven wij niet te vertellen dat het digitale leven zich in toenemende mate afspeelt op, en wordt vormgegeven door, digitale platforms waarop uiteenlopende vormen van communicatie samenkomen. Deze platforms bieden een podiu...
Kan AI het auteursrecht juist redden? Een nieuwe visie op licenties in het AI-tijdperk
Mogen ontwikkelaars van generatieve AI auteursrechtelijk beschermde werken gebruiken voor de training van hun modellen? En zo ja, onder welke voorwaarden? De discussie wordt al langere tijd gevoerd, maar juridische duidelijkheid laat nog op zich w...
Amerikaans hof komt tot ongemakkelijk oordeel: bezit van AI-gegenereerde kinderporno is niet strafbaar
Een Amerikaans hof heeft geoordeeld dat het enkele bezit in de eigen woning van volledig AI-gegenereerd materiaal van seksueel kindermisbruik naar huidig Amerikaans recht niet strafbaar kan worden gesteld. Daarbij is doorslaggevend dat de beelden ...
"Your Voice, Your Choice?" Tabaksproducent Philip Morris genereert honderden AI-reacties op EU-consultatie over nieuwe tabaksregels
Uit gezamenlijk onderzoek van Pointer (KRO-NCRV) en de NOS blijkt dat bijna driekwart van de Nederlandse reacties op een openbare consultatie van de Europese Commissie over nieuwe tabaksregels volledig door AI is gegenereerd. Volgens de onderzoeke...
Filteren zonder beslissing: AI-uploadfilters en de grenzen van artikel 10 EVRM
Een gebruiker plaatst een bericht op een platform en klikt op publiceren. Het bericht verschijnt niet. Er verschijnt geen melding, geen reden en geen beslissing. De uiting is geblokkeerd voordat zij de publieke ruimte heeft bereikt. Artikel 10 EVR...
