Terug naar overzicht

Rechtspraak

Eerste Nederlandse advocaat berispt wegens onzorgvuldig AI-gebruik

De Nederlandse tuchtrechter heeft voor het eerst een advocaat berispt vanwege onzorgvuldig gebruik van AI. De advocaat had in twee huurprocedures door AI gegenereerde rechtspraak opgenomen zonder de uitspraken te lezen of de verwijzingen te controleren. Volgens de Raad van Discipline handelde zij daarmee uiterst onzorgvuldig en schond zij de kernwaarden deskundigheid en integriteit. Bij het bepalen van de maatregel weegt de raad mee dat AI-geletterdheid destijds nog geen gemeengoed was en de NOvA-aanbevelingen over AI-gebruik nog niet waren verschenen.

 

De volledige uitspraak leest u hier. De belangrijkste overwegingen worden hierna besproken, inclusief verwijzingen naar de relevante passages (r.o. …).

 

Niet-bestaande rechtspraak in twee huurprocedures

De advocaat stond twee cliënten bij in verschillende huurgeschillen. Hoewel zij een algemene privaatrechtelijke praktijk voerde, behandelde zij voornamelijk arbeidsrechtelijke zaken en had zij weinig kennis van en ervaring met het huurrecht (r.o. 2.14). 

 

In beide procedures diende de advocaat een conclusie van antwoord in waarin werd verwezen naar onjuiste en deels niet-bestaande rechtspraak. In een van de zaken waren acht uitspraken aangehaald. Eén ECLI-nummer bestond niet. De overige zeven ECLI-nummers verwezen naar geheel andere uitspraken dan in het processtuk werden beschreven, waaronder een echtscheidingsbeschikking en een strafzaak. De advocaat diende vervolgens een akte tot rectificatie in (r.o. 2.5). Daarin trok zij de verwijzingen in omdat deze na controle niet traceerbaar bleken. Zij verving de ingetrokken verwijzingen echter niet door correcte rechtspraak. De overige inhoud van de conclusie van antwoord liet zij ongewijzigd; deze bood geen enkel verweer tegen de subsidiaire vordering in casu.

 

Tijdens de mondelinge behandeling verscheen de cliënt zonder zijn advocaat (r.o. 2.6). De cliënt was op de hoogte van de akte van rectificatie. Hij verklaarde dat de advocaat hem had verteld dat zij “een bepaald systeem” had gebruikt waardoor de verwijzingen niet klopten. Welk systeem dat was, wist hij niet. Bij tussenvonnis van 12 februari 2026 stelde de kantonrechter vast dat met de onjuiste verwijzingen artikel 21 Rv was geschonden (r.o. 2.7). De rechter had sterk de indruk dat delen van de conclusie van antwoord met een AI-tool waren opgesteld zonder de gegenereerde bronnen te controleren. Dat kwalificeerde de kantonrechter als “kwalijk”, omdat hierdoor de belangen van de cliënt werden geschaad en de wederpartij op het verkeerde been kon worden gezet. De kantonrechter verlangde een nadere uitleg van de advocaat. In reactie daarop erkende de advocaat dat een AI-tool was gebruikt voor de ECLI-nummers (r.o. 2.8). Welke tool dat precies was geweest, kon zij naar eigen zeggen niet meer achterhalen.

 

Ook in een tweede huurprocedure bleek de advocaat een conclusie van antwoord met onjuiste en deels niet-bestaande rechtspraak te hebben ingediend (r.o. 2.11). Zij diende ook in die zaak een rectificatie in en verscheen evenmin op de mondelinge behandeling.

 

Van signaal van de rechtbank naar dekenbezwaar

Naar aanleiding van een signaal van de rechtbank startte de deken een onderzoek. Tijdens een gesprek erkende de advocaat dat zij in beide zaken een AI-tool had gebruikt en niet had gecontroleerd of de gegenereerde uitspraken daadwerkelijk bestonden (r.o. 2.14). De deken vroeg onder meer welke tool was gebruikt, onder welke voorwaarden dit was gebeurd en hoe de vertrouwelijkheid van cliëntgegevens was gewaarborgd. De advocaat kon niet meer achterhalen welke tool zij voor de processtukken had gebruikt. Zij vermeldde wel dat LegalPA de laatste AI-tool was die zij had gebruikt, maar kon geen overeenkomst of betaalbewijzen overleggen. Op de vraag hoe zij de vertrouwelijkheid had beschermd, antwoordde zij dat zij geen vertrouwelijke gegevens had ingevoerd.

 

Volgens de deken was de kwaliteit van de dienstverlening in beide zaken ondermaats (r.o. 3). Het bezwaar zag niet alleen op het ongecontroleerde AI-gebruik, maar ook op de gebrekkige kennis van het huurrecht en de afwezigheid bij de mondelinge behandelingen. Daarmee zou de advocaat de in artikel 10a Advocatenwet genoemde kernwaarden van deskundigheid, integriteit en vertrouwelijkheid hebben geschonden.

 

Het oordeel van de Raad van Discipline

De Raad van Discipline stelt voorop dat van een advocaat mag worden verwacht dat zij handelt zoals een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest (r.o. 5.2).

 

Ongecontroleerde AI-output is tuchtrechtelijk verwijtbaar

De advocaat had de door AI gegenereerde rechtspraak in twee procedures overgenomen zonder de verwijzingen te controleren of de uitspraken te lezen. Dit levert schending op van de kernwaarde deskundigheid. Dat zij AI destijds beschouwde als een soort zoekmachine en niet wist dat de tool niet-bestaande rechtspraak kon genereren, ontsloeg de advocaat niet van haar eigen verantwoordelijkheid. In beide zaken heeft zij haar werkzaamheden verricht zonder inachtneming van de op haar rustende zorgplicht (r.o. 5.3-5.5).

 

Volgens de raad was het handelen van de advocaat “uiterst onzorgvuldig en tuchtrechtelijk verwijtbaar”. De foutieve verwijzingen schaden niet alleen de belangen van de cliënt, maar ook die van de overige bij de gerechtelijke procedure betrokkenen. Procespartijen en rechters moeten erop kunnen vertrouwen dat door een advocaat aangehaalde rechtspraak daadwerkelijk bestaat en dat de verwijzingen kloppen. De advocaat heeft dit vertrouwen met haar wijze van procederen geschaad en daarmee niet alleen de kernwaarde deskundigheid, maar ook de kernwaarde integriteit en gedragsregel 8 geschonden (r.o. 5.6).

 

Bredere tekortkomingen

De tuchtrechtelijke verwijten beperken zich niet tot de verzonnen rechtspraak. In een van de conclusies stelde de advocaat ten onrechte dat een landelijk procesreglement een maximum van vijftien pagina’s per processtuk voorschreef (r.o. 5.7). Ook gaf zij een onjuiste uitleg aan artikel 7:274, eerste lid onder c BW. Die bepaling heeft betrekking op dringend eigen gebruik door de verhuurder, maar werd gebruikt in het verweer tegen een vordering wegens tekortschieten van de huurder (r.o. 5.8).

 

Tegen de subsidiaire vordering op grond van dringend eigen gebruik voerde de advocaat in het geheel geen verweer. Dat de cliënt zijn standpunt daarover later alsnog kenbaar kon maken, was uitsluitend het gevolg van het feit dat de kantonrechter hem daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid stelde (r.o. 5.9).

 

Geen herstel van de tekortkomingen

Dat de advocaat de onjuiste verwijzingen later introk, neemt het verwijt niet weg. Daarbij weegt mee dat zij de ingetrokken verwijzingen niet verving door correcte rechtspraak, waardoor de juridische onderbouwing van de verweren gebrekkig bleef. Ook rekent de raad het de advocaat aan dat zij in beide zaken niet bij de mondelinge behandeling aanwezig was. Naar het oordeel van de raad was dit, juist na de ontdekte fouten, wel passend geweest, ook al hadden de advocaat en haar cliënt aanvankelijk anders afgestemd. De advocaat had haar verweren dan kunnen toelichten en de vragen van de kantonrechter kunnen beantwoorden (r.o. 5.10). 

 

Geen bewezen schending van de vertrouwelijkheid

Het bezwaar wordt ongegrond verklaard voor zover het betrekking had op de kernwaarde vertrouwelijkheid. De advocaat kon weliswaar niet duidelijk maken welke AI-tool zij had gebruikt, maar verklaarde uitdrukkelijk dat zij geen vertrouwelijke gegevens had ingevoerd. Uit de stukken kon niet worden vastgesteld dat dit anders was. Het enkele vermoeden van de deken dat mogelijk vertrouwelijke informatie met een AI-aanbieder was gedeeld, is onvoldoende om een schending van de geheimhoudingsplicht aan te nemen (r.o. 5.12).

 

Berisping en verzachtende omstandigheden

De raad verklaart het dekenbezwaar gegrond voor zover het betrekking heeft op de kernwaarden deskundigheid en integriteit en op gedragsregel 8. Volgens de raad kan vanwege de ernst en omvang van de tekortkomingen niet met een waarschuwing worden volstaan (r.o. 6.1). Tegelijkertijd weegt in het voordeel van de advocaat dat (i) zij niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, (ii) dat AI-geletterdheid ten tijde van het opstellen van de gewraakte processtukken nog geen gemeengoed was en (iii) dat de aanbevelingen van de NOvA ten aanzien van AI-gebruik ook nog niet waren verschenen (r.o. 6.2).

 

De omstandigheden nemen de verwijtbaarheid niet weg, maar beperken wel de zwaarte van de sanctie. De advocaat krijgt een berisping en wordt veroordeeld tot betaling van € 1.250 aan proceskosten (r.o. 7).

 

Betekenis voor de advocatuur

De uitspraak noemt geen verbod op het gebruik van AI door advocaten. De Raad van Discipline behandelt AI als een hulpmiddel. Wie daarvan gebruikmaakt, blijft volledig verantwoordelijk voor de inhoud van het uiteindelijke processtuk.

 

Dat betekent in ieder geval dat een advocaat gegenereerde output inhoudelijk moet controleren. Bij verwijzingen naar rechtspraak moet de advocaat de zaken zelf lezen en in ieder geval nagaan of deze daadwerkelijk bestaan en de ingenomen standpunten ondersteunen. In dit kader neemt een latere rectificatie een eerdere schending van de zorgplicht niet zonder meer weg. De wijze waarop de advocaat na ontdekking van de fouten handelt, kan wel van invloed zijn op de beoordeling en de uiteindelijke maatregel (iets dat we ook al zagen in de Verenigde Staten; zie deze bespreking).

 

Opvallend is tot slot dat gebrekkige AI-geletterdheid nog als verzachtende omstandigheid wordt meegewogen. Naarmate AI-gebruik binnen de advocatuur gebruikelijker wordt en daarvoor meer professionele richtlijnen beschikbaar zijn, ligt het voor de hand dat dit argument steeds minder gewicht zal krijgen. De waarschuwing van de Raad van Discipline is in ieder geval duidelijk: wie AI-output zonder inhoudelijke controle in een processtuk opneemt, riskeert een tuchtrechtelijke maatregel.

AI-forum 2026/3