Terug naar overzicht

Rechtspraak

Wanneer is AI-output een auteursrechtelijk werk? De Duitse rechter oordeelt

Het Amtsgericht München heeft zich uitgelaten over de vraag of en wanneer met behulp van AI gegenereerde output in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming. De uitspraak is voor Nederland relevant, omdat het werkbegrip en de originaliteitstoets zijn geharmoniseerd binnen het Unierecht. Daarmee biedt dit vonnis de eerste concrete aanknopingspunten voor de praktijk in een discussie waarover in de literatuur al jaren veel is geschreven.

 

Feiten en opvallendheden

Eiser heeft met behulp van generatieve AI drie logo’s laten genereren (zie hieronder). De daarbij ingevoerde prompts variëren in omvang en complexiteit. Zo is er sprake van een korte prompt (boek-logo), een zeer uitgebreide prompt (envelop-logo) en een prompt met iteratieve ‘vervolg-prompts’ (handdruk-logo). Eiser claimt het auteursrecht op alle logo’s en vergelijkt zijn scheppingsproces met dat van een beeldhouwer, waarbij de AI slechts de beitel is, oftewel een technisch hulpmiddel. Volgens eiser manifesteert zijn creatieve prestatie zich in de zorgvuldige instructies aan de AI. De AI maakt hooguit een vertaalslag van de door eiser gevormde werken naar de echte wereld.

 

Gedaagde, een bekende van de eiser, heeft de logo’s zonder toestemming gekopieerd en op zijn eigen website gebruikt. Eiser vordert in rechte dat gedaagde de beschermde werken niet langer mag gebruiken. Gedaagde verweert zich door te stellen dat de betreffende logo’s geen auteursrechtelijke werken kunnen zijn omdat ze niet door een mens zijn gemaakt. Eiser levert niet de noodzakelijke creatieve input en fungeert hooguit als opdrachtgever, waarbij de creatieve beslissingen volledig worden overgelaten aan de AI. Het argument dat AI alleen een hulpmiddel is houdt geen stand, omdat de technologie daarvoor te krachtig is en zowel gebruikers als ontwikkelaars niet in detail begrijpen hoe de AI tot bepaalde resultaten komt.

 

De rechtbank signaleert dat het dossier en de verhouding tussen partijen erop kunnen wijzen dat de procedure (mede) is gevoerd uit wetenschappelijke interesse (r.o. 16). Aangezien partijen benadrukken dat er wel degelijk een concrete, feitelijke strijd bestaat over het gebruik van de afbeeldingen, beoordeelt de rechtbank de zaak inhoudelijk.

 

Het juridisch kader

Werken van makers worden naar Europees recht in principe auteursrechtelijk beschermd (art. 2 Richtlijn 2001/29/EG). Maar wanneer kan iets als ‘werk’ worden aangemerkt?

 

Zoals de rechtbank terecht opmerkt, is het werkbegrip een Unierechtelijk begrip met twee elementen: (i) originaliteit in de zin van een eigen intellectuele schepping en (ii) uitdrukking van die schepping in een identificeerbare vorm. Wat het eerste criterium betreft, is volgens vaste rechtspraak een voorwerp pas origineel wanneer het de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt door uitdrukking te geven aan diens vrije creatieve keuzes (zie o.a. HvJ EU 16 juli 2009, C-5/08 (Infopaq)). Als de totstandkoming van een werk daarentegen vooral wordt bepaald door technische overwegingen, of andere regels of beperkingen, doet dat af aan de vereiste originaliteit.

 

Ten aanzien van AI-output bepaalt de rechtbank het volgende: beslissend is in hoeverre, ondanks het software-gestuurde proces, nog menselijke scheppende invloed wordt uitgeoefend. Die invloed kan ook gaandeweg ontstaan, dus tijdens het prompten of geheel achteraf, zolang de uiteindelijk output maar “objectief” en “ondubbelzinnig identificeerbaar” de persoonlijkheid van de gebruiker weerspiegelt. Het enkel selecteren van een afbeelding uit een aantal suggesties is in deze context niet voldoende. Vereist is bijvoorbeeld dat de gebruiker inzicht heeft in de door de AI-tool gebruikte presets, waarop hij bewust kan inspelen.

 

Doorslaggevend is uiteindelijk of men zijn creatieve vermogen op een onafhankelijke manier tot uitdrukking weet te brengen door vrije creatieve beslissingen te nemen (de rechtbank verwijst naar HvJ EU 1 maart 2012, C-604/10 (Football Dataco/Yahoo)), par. 38). Bij prompting is dit alleen het geval wanneer de creatieve elementen in de prompts de output zodanig domineren dat de output als geheel kan worden beschouwd als de eigen originele creatie van de prompter. Het is dus onvoldoende als AI zelf de ontwerpbeslissing neemt op basis van open instructies, zelfs als die instructies omvangrijk zijn en het uiterlijk van de output daardoor steeds verandert. In dit kader benadrukt de rechter dat het auteursrecht geen moeite of investering beloont, maar uitsluitend het resultaat van een creatieve bezigheid.

 

De drie logo’s getoetst

De rechter wijst auteursrechtelijke bescherming in alle drie gevallen af, telkens met een inhoudelijke redenering.

 

 

 

 

Bij het boek-logo ziet de rechtbank simpelweg geen enkele creatieve inspanning. De prompt is een korte beschrijving (2 regels) van wat het logo moet voorstellen en hoe het ongeveer moet aanvoelen. Daarmee zijn geen vrije creatieve keuzes aangewezen die het concrete resultaat scheppend hebben bepaald.

 

Bij het envelop-logo erkent de rechtbank dat de prompt lang en zorgvuldig opgesteld was (ruim 1700 tekens), maar benadrukt zij nogmaals dat omvang en (niet-creatieve) inspanning geen auteursrechtelijke maatstaf zijn. Inhoudelijk bevat de prompt vooral open, algemene kwalificaties (“modern”, “minimal”, “original”) en keuzemenu’s die juist aan de AI overlaten welke visuele elementen worden gekozen en hoe die worden gecombineerd. Dat lijkt volgens de rechtbank meer op een schriftelijke instructie aan een menselijke ontwerper dan op het vastleggen van eigen creatieve keuzes. De creatieve beslissing over het uiteindelijke uiterlijk ligt daardoor in hoofdzaak bij de AI.

 

Bij het handdruk-logo is de analyse het meest interessant, omdat hier sprake is van een iteratief proces. Hoewel eiser aanvankelijk een algemene prompt invoert, vergelijkbaar met bovenstaande prompts, voert hij daarna vervolg-prompts in om stap voor stap het gewenste resultaat te creëren. Toch acht de rechtbank de vervolgstappen niet creatief, maar eerder technisch: het corrigeren van evidente fouten (“The last image seems to be broken. Recreate it please“), het bijsturen van details (“more feminin”, “more filigree”, “add a more realistic touch to the hands”), en in het algemeen het formuleren van resultaatgerichte instructies die de artistieke beslissing opnieuw bij de AI laten. De rechtbank concludeert ook in dit geval dat de creatieve invloed van eiser onvoldoende tot uiting komt in de output om van auteursrechtelijke bescherming te kunnen spreken.

 

Maatschappelijke en praktische implicaties

Dit is niet de eerste keer dat in de EU een uitspraak wordt gedaan over de auteursrechtelijke status van AI-output: op 11 oktober 2023 kwam de Tsjechische rechter al tot een vergelijkbaar oordeel. Wel gaat de Duitse rechter dieper in op het Unierechtelijke werkbegrip en de betekenis daarvan voor AI-gegenereerde creaties.

 

Voor Nederland is het belang direct, aangezien het werkbegrip en de originaliteitstoets Europeesrechtelijk zijn geharmoniseerd. Dat betekent niet dat alles ineens anders is. De heersende opvatting was al dat menselijke creativiteit nodig is voor bescherming, en dat prompting niet automatisch auteurschap oplevert (zie o.a. Hugenholtz & Quintais, ‘Auteursrecht en artificiële creatie’). Wel geeft het Duitse vonnis concrete handvatten voor de praktijk, in het bijzonder ten aanzien van de vraag waar de grens ligt tussen technische bijsturing en creatieve invloed.

 

Parallel aan dit vonnis lopen twee andere Duitse procedures waarin niet alleen de output-, maar ook de inputkant centraal staat. Enerzijds de recente uitspraak in GEMA tegen OpenAI over het gebruik van beschermde songteksten bij de training en werking van ChatGPT. Anderzijds de lopende zaak GEMA tegen Suno over een vergelijkbare kwestie ten aanzien van melodieën, harmonieën en ritmes.

 

Afsluiting

De Duitse rechter bevestigt de lijn die in de literatuur al langere tijd wordt getrokken: met behulp van AI gecreëerde output kan voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, maar pas als daarin de vrije creatieve keuzes van een mens worden weerspiegeld. Naar het oordeel van de Duitse rechter moet de menselijke invloed zelfs “domineren”. Daarbij kan de vraag worden gesteld of een fotograaf wiens foto’s auteursrechtelijk zijn beschermd, de technische werking van zijn camera ook “domineert”, of slechts een aanvullende rol speelt in het scheppingsproces. Hoewel de uitspraak belangrijke handvatten biedt voor de praktijk, zal het geldende recht ongetwijfeld verder worden verduidelijkt in toekomstige uitspraken en uiteindelijk door het Hof van Justitie.

AI-forum 2026/1